Hoofdstuk 5 Amalie
‘Als je mijn splinternieuwe jurk verpest terwijl ik op school ben, sla ik je net niet dood,’ sist Melissa terwijl ze me tegen de muur duwt. Haar hand begint zich om mijn nek te sluiten. Het is een zwakke greep die me niets doet.
‘Ik zal je kamer niet aanraken terwijl je op college bent,’ zeg ik, met mijn ogen op de vloer gericht om haar niet uit te dagen. Ik wil snuiven en met mijn ogen rollen om hoe dramatisch ze deed. Ik wil haar van me af duwen en haar een klap geven.
‘Noem me Luna. Ik word tenslotte binnenkort jouw Luna. Zodra Mark en Cal me in mijn jurk zien, zullen ze smeken of ik hun Luna wil zijn. Ik wil horen: “Ja, Luna”,’ pocht ze.
Ik moet op mijn tong bijten om te voorkomen dat Beren naar Melissa gromt. Helaas merkt Medea, Melissa’s wolf, mijn woede op. Ze gromt en maakt Melissa’s hand om mijn keel strakker. Ze duwt zichzelf naar voren en zegt: ‘Je gromt niet naar je toekomstige Luna. Je doet wat ik zeg, of ik doe de pup pijn.’
Bij die woorden stormt Beren naar voren met nog meer woede. ‘Als je mijn pup ook maar aanraakt, zul je de dag betreuren dat je geboren bent!’ gromt Beren terug, feller.
Ik ben verbijsterd door Medea’s woorden. Ze zou Rose pijn doen, haar eigen vlees en bloed. Wat voor moeder bedreigt haar jonge pup. Mijn hoofd tolt en ik merk niet wat Medea aan het doen is.
Medea begint zich te onderwerpen voordat ze uitschreeuwt: ‘Au, papa, ze doet ons pijn!’ Medea geeft de controle terug aan Melissa. Ze struikelt achteruit en tegen de muur alsof ze is geslagen.
De geur van alcohol vult de gang. Hij overrompelt me nog voor ik er iets aan kan doen. ‘Wat heb jij gedaan?’ buldert Thomas terwijl hij de gang in stormt.
‘Niks!’ probeer ik ter verdediging. Ik weet dat het geen zin heeft, maar dat houdt me niet tegen om het toch te proberen. ‘Ze bedreigde Rose!’
‘Het kan me niet schelen als ze dat rotjong vermoordt, jij legt je zus geen vinger aan!’ schreeuwt hij naar me terwijl hij boven me uittorent.
Ik weet dat ik daar had moeten stoppen. Ik had me moeten omdraaien en onderwerpen. Ik had moeten doen wat hij wil. Maar in plaats daarvan, in plaats daarvan daag ik hem uit. Beren schiet naar voren, dit keer met mijn toestemming, en gromt: ‘Wag het niet mijn pup te bedreigen!’
‘Ik zal haar bedreigen wanneer en hoe ik maar wil!’ schreeuwt Thomas terwijl hij een hand om mijn nek klemt.
Deze keer ben ik bang voor wat hij zal doen. Toen Mellisa me had proberen te wurgen, had ik gesnoven bij de gedachte. Ze nam training niet serieus. Medea was een zwakke wolf, lichamelijk dan. Haar geest is heel sluw.
Deze keer wist ik dat er problemen zouden komen. Mijn vader was ooit een goede krijger, tenminste, dat werd me verteld toen ik op school zat en trainde. Nu, ook al is hij een dronkaard, is hij nog steeds sterker dan ik. En hij wurgt me zonder enig berouw.
‘Marie! Haal de kettingen!’ beveelt Thomas terwijl hij druk blijft zetten op mijn keel.
Mijn zicht begint aan de randen donker te worden. Maar bij het noemen van de kettingen probeer ik te vechten. Ik krab aan zijn hand die om mijn keel zit. De kettingen die hij bedoelde zijn zilveren kettingen. Ze zullen een set om mijn polsen doen en een paar om mijn enkels. De kettingen zullen branden en Beren ervan weerhouden me te helpen. Ze zullen me ervan weerhouden te genezen.
‘Weg,’ beveelt hij Melissa.
Heel even hoop ik dat ze blijft en protesteert, op z’n minst tegen het gebruik van zilveren kettingen. Geen enkele weerwolf hoort met zilver behandeld te worden. Ik kan de klappen en de woorden aan. Ik kan het dragen van het zilver voor korte tijd aan. Maar zodra de kettingen omgingen, lieten ze ze dagenlang om. De kettingen bleven om tot ik mijn les geleerd had.
Ik zal de kettingen dagenlang moeten dragen. Ik zal Rose in die tijd niet kunnen vasthouden. Ik zal haar niet kunnen troosten terwijl ik ze moet dragen. Rose zal doodsbang zijn als ze de geur van brandend en rauw vlees door het zilver ruikt, en ik zal haar niet kunnen troosten. Ik zou haar kunnen branden. Zonder haar wolf zouden de brandplekken littekens worden. Dat kan ik haar niet aandoen.
‘Alsjeblieft niet!’ breng ik met mijn laatste beetje lucht uit.
‘Ik ben voor drie uur terug,’ snuift Melissa, terwijl ze naar college vertrekt.
‘Alsjeblieft,’ probeer ik opnieuw terwijl ik mijn moeder zie, met een paar lashandschoenen aan, het paar kettingen dragen. Er zit geen lucht meer in mijn longen.
‘Je hebt mijn dochter pijn gedaan,’ sist Marie terwijl ze een boei om mijn enkel doet.
Ik ruk hard zodra de eerste zilveren boei mijn huid raakt. Ik probeer te schreeuwen: ‘Ik ben ook je dochter.’ Maar het enige dat eruit komt is een stille schreeuw. Thomas verandert zijn greep om mijn keel, waardoor Marie makkelijker bij de rest van mijn ledematen kan. De tweede boei klikt om mijn andere enkel. Ik bijt zo hard op mijn lip dat ik bloed. Berens gegrom dooft weg terwijl het zilver zijn werk doet. Marie grijnst terwijl ze de volgende boei om mijn rechterpols klapt. Ik reik met mijn linkerhand uit om te proberen iets te grijpen dat binnen mijn bereik is. Mijn zicht blijft wegvallen omdat Thomas mijn keel niet loslaat. Ze slaat mijn hand weg en klapt de laatste boei om mijn linkerpols.
Thomas smijt me op de grond. Ik probeer te schreeuwen om hoe ik terechtkom en om het zilver, maar het enige wat ik kan is een schokkerige ademteug nemen om mijn longen te vullen. Ik probeer diep adem te halen. Terwijl ik ademhaal, komt een voet tegen mijn maag. Het jaagt mijn kostbare zuurstof eruit die ik net mijn lichaam in had gezogen.
‘Hoe durf je mijn dochter pijn te doen!’ schreeuwt Marie tegen me.
‘Je had de zwangerschap moeten afbreken toen je van haar wist,’ sneert Thomas terwijl zijn voet opnieuw tegen mijn maag knalt.
‘Ik dacht dat ze nuttiger zou zijn geweest. Bovendien was ik, tegen de tijd dat ik bij de roedeldokter kwam, al te ver. Die idioot liet me niet,’ sist ze terug. Ik hoorde de woede en minachting van elk woord afdruipen.
Ik wil eisen waarom ze me zo haten. Ik ben hun dochter. Hun eerstgeborene. Velen geloofden dat de eerstgeborene van een gezin het gezin geluk zou brengen. De tweede geborene was ook een zegen. Het betekende dat de maangodin de lijn zegende met meerdere welpen. Je nalatenschap zou sterk en veilig zijn.
Waarom word ik gehaat terwijl ik juist geluk zou moeten brengen? Waarom deden de mensen in mijn leven mij het meeste pijn? Wat had ik ooit gedaan om dit te verdienen?
‘Mama?’ klinkt het gefluister dat het bloed in mijn aderen doet bevriezen.
