Hoofdstuk 2 Hoofdstuk 2

Ik sluip op mijn tenen door de gang en houd mijn adem in. Als Jackson wakker is, heeft hij wel weer een opmerking klaarliggen over mijn kleren, mijn haar, of gewoon… mij. Ik begin de dag liever zonder.

Te laat. Zijn slaapkamerdeur kraakt open, en daar staat hij—mijn tweeling, mijn andere helft, mijn verrader—al zijn twee meter cocky quarterback die mij de weg verspert.

‘Goedemorgen, Jess,’ zegt hij, terwijl zijn blik over mijn shirt glijdt. ‘Leuke… tent.’

Ik antwoord niet eens. Ik duw me gewoon langs hem heen, mijn wangen worden heet.

‘Ach, kom op, doe niet zo gevoelig,’ roept hij me na.

Gevoelig. Zo noemt hij me wanneer zijn woorden diep snijden, alsof het mijn schuld is dat ik überhaupt iets voel.

Tegen de tijd dat ik de keuken bereik, is mam al weg. De meeste ochtenden vertrekt ze vroeg, en ik kan niet beslissen of ik dankbaar ben of jaloers. Dankbaar dat ze me niet zo ziet, jaloers omdat ze nooit tijd voor ons heeft.

Jackson pakt een proteïneshake uit de koelkast en giet hem naar binnen alsof hij in een sportersreclame zit. Ik smeer een boterham, terwijl ik probeer onzichtbaar te lijken.

En dan komt natuurlijk de duivel zelf binnen.

Noah Carter.

Hij loopt onze keuken binnen alsof hij de boel bezit, helm onder zijn arm geklemd, haar nog vochtig van de douche, al zijn meter achtentachtig aan gouden-jongen-arrogantie. Hij draagt zijn jersey, nummer 14, strak over brede schouders alsof die speciaal voor hem op maat gemaakt is.

En omdat ik blijkbaar een masochist ben, merkt mijn stomme brein de lijn van zijn kaak op, de manier waarop zijn natte haar aan de randen krult, de schone geur van zeep en zweet die aan hem blijft hangen. Ik haat mezelf omdat ik het merk.

‘Goedemorgen, zonnestraaltje,’ grijnst hij naar me.

Ik rol met mijn ogen. ‘Noem me niet zo.’

‘Wat? Dacht dat je een bijnaam wel leuk zou vinden.’ Zijn grijns wordt breder, alsof hij precies weet hoe hij onder mijn huid moet kruipen.

Jackson lacht en tikt zijn vuist tegen de zijne. ‘Negeer haar maar, bro. Klaar voor training?’

‘Altijd,’ zegt Noah. Hij werpt een blik op mijn boterham, zijn wenkbrauwen gaan omhoog. ‘Weer extra boter?’

Ik smijt het mes neer. ‘Serieus? Word je het nooit moe om commentaar te leveren op wat ik eet?’

Jackson snuift. ‘Trek je niks van hem aan, Jess.’

Maar ik trek het me wel aan. God, ik trek het me zo aan.

Ze lopen samen naar de truck, en laten mij achter met een koude boterham en die bekende pijn op mijn borst. Het is dezelfde pijn die ik heb sinds ik tien was.

De pijn van beseffen dat mijn tweeling—mijn beste vriend—iemand anders koos.

Op school wordt het niet beter. Nooit.

Zodra ik de gang instap, schieten blikken mijn kant op. Gefluister. Gesnuif van gelach. Dezelfde rotzooi die ik al hoor sinds de brugklas.

‘Verdomme, ze is groter dan de linebackers.’

‘Wedden dat ze meer eet dan het hele team.’

Ik blijf doorlopen, mijn hoofd omlaag, en doe alsof de woorden me niet steken. Maar dat doen ze wel. Elke keer komt er een litteken bij dat ik niet kan verbergen met te grote kleren.

Jackson merkt het niet, of misschien merkt hij het wel en kan het hem gewoon niks schelen. Hij is te druk met genieten van de glorie van eerste quarterback zijn. Te druk met lachen met Noah en de rest van het team.

Noah. Altijd Noah.

Het ergste is dat wanneer hij lacht, het een diep, warm geluid is waardoor de haartjes in mijn nek overeind gaan staan. Als hij glimlacht, smelten meisjes weg tot plassen. En als zijn hazelnootkleurige ogen het licht vangen, lijken ze bijna te gloeien.

Ik haat dat ik dat allemaal heb opgemerkt.

Ik haat dat een deel van mij snapt waarom de volledige vrouwelijke bevolking van Crestwood High zou moorden voor een kans met hem.

Ik haat dat een deel van mij, een of ander verdraaid klein stukje dat diep vanbinnen begraven ligt, zich herinnert hoe het voelde om een crush op hem te hebben voordat hij mijn kwelgeest werd.

Mariah vindt me bij mijn kluisje. Godzijdank voor haar. Ze is het enige goede dat uit dit alles is voortgekomen—het meisje dat me drie jaar geleden in de bioscoop zag breken en besloot me niet alleen te laten staan.

‘Je ziet eruit alsof je iemand wilt vermoorden,’ zegt ze, terwijl ze een pluk van haar blonde haar achter haar oor stopt.

‘Noah,’ mompel ik. ‘Zoals altijd.’

Ze trekt een gezicht. ‘Ugh. Je zou denken dat hij na al die jaren wel eens zat zou zijn.’

‘Dat is hij niet. Het is alsof mij kwellen zijn favoriete sport is, vlak na football.’

Mariah zucht. ‘Nou ja, laatste jaar, toch? Bijna klaar.’

Bijna. Maar bijna voelt als voor altijd.

De lunch is het ergst. Dat is altijd zo geweest.

Ik zit met Mariah aan de rand van de kantine, weg van de footballtafel. Maar hoe ver ik ook weg zit, Noah vindt me toch met zijn ogen. Ik voel ze, scherp als dolken, heet als een schijnwerper.

Vandaag is niet anders. Ik ben halverwege mijn broodje als ik hem aan de andere kant van de ruimte hoor.

‘Hé, Jackson! Verstop je eten maar, anders vreet Jess alles op voordat je met je ogen knippert.’

Gelach barst los aan de tafel. Jackson verdedigt me niet. Dat doet hij nooit.

Ik houd mijn hoofd omlaag, mijn wangen branden, en ik bid dat niemand anders meedoet. Maar natuurlijk doen ze dat wel.

‘Ze kan de teammascotte zijn,’ zegt iemand. ‘Trek haar pads aan, dan walst ze zo door de verdediging heen!’

De gasten gieren het uit.

Mariah leunt over de tafel, haar ogen flitsen. ‘Negeer ze. Het zijn idioten.’

Maar negeren zorgt er niet voor dat het stopt.

Ik klem mijn broodje zo stevig vast dat mijn knokkels wit worden. In mijn hoofd stel ik me voor dat ik opsta, daarheen marcheer en Noah precies vertel wat hij is—een pestkop. Een lafaard. Een zielige klootzak die ervan geniet om me af te breken.

Maar ik kom niet in beweging.

Omdat ik weet wat er zou gebeuren als ik het wel deed. Hij zou grijnzen. Hij zou iets nog scherpers zeggen. En Jackson zou met hem meelachen.

Zoals altijd.

Die avond, liggend in bed, staar ik naar het plafond.

Dit is mijn laatste jaar. Nog één jaar Noah Carter. Nog één jaar waarin Jackson doet alsof ik niet besta, behalve wanneer het hem uitkomt. Nog één jaar waarin ik ‘de dikke tweeling’ ben, de grap, de nobody.

Na mijn diploma ben ik vrij. De universiteit wordt mijn resetknop. Niemand zal me kennen als Jacksons zus of als Noahs favoriete doelwit. Niemand zal zich het kluisje vol vuilniszakken herinneren of de grappen over boter.

Dan ben ik gewoon ik.

Maar zelfs terwijl ik mezelf dat vertel, verraadt mijn brein me. Want het zijn niet Noahs beledigingen die zich achter mijn ogen blijven herhalen. Het is zijn gezicht. Zijn belachelijk perfecte, strakgekaakte, breedgeschouderde filmsterrengezicht.

En ik haat mezelf ervoor.

De volgende ochtend herhaalt de cyclus zich. Jackson die loopt te sarren, mam die afwezig is, ik die in mezelf krimp.

Maar wanneer Noah opduikt, verschuift er iets. Niet groot, niet duidelijk—alleen een flikkering.

Hij betrapt me terwijl ik staar.

Ik bedoel het niet. Echt. Ik zit gewoon een beetje af te dwalen, en mijn blik blijft op hem hangen, op de manier waarop zijn T-shirt over zijn borstkas spant, op de sterke lijn van zijn hals als hij zijn hoofd achterover kantelt om te lachen om iets wat Jackson zegt.

En dan haken zijn hazelnootkleurige ogen in de mijne.

Een seconde lang kan ik niet ademhalen.

Geen grijns, geen belediging, geen scherpe rand. Alleen Noah die naar me kijkt alsof… alsof hij me ziet.

Dan knippert hij, en het is weg. Vervangen door dezelfde brutale grijns die ik maar al te goed ken.

‘Bevalt wat je ziet, Sunshine?’

Mijn gezicht brandt. ‘In je dromen.’

Maar die flikkering blijft de hele dag bij me.

En ze jaagt me meer angst aan dan al zijn beledigingen bij elkaar. Want wat als—stel nou eens—de jongen die mijn leven al jaren tot een hel maakt, degene is die ik niet kan stoppen met opmerken?

Wat als degene die ik het meest haat, degene is tot wie ik me stiekem aangetrokken voel? En wat als hij het weet?

Vorig Hoofdstuk
Volgend Hoofdstuk